Promotiecampagne kinderassortiment
Boeken algemeen

Natuurlijk: zeekraal, een zilte delicatesse

 

Nu de kerst in aantocht is en men plannen voor het kerstdiner gaat maken, is het leuk om stil te staan bij een bijzondere nieuwe en steeds populairder wordende groente: zeekraal. Hoewel, zo nieuw is zeekraal ook weer niet. De Kroniek van Zeeland vermeldde in 1751 dat zeekraal samen met vis door vissersvrouwen aan de deur werd verkocht. Van zeekraal komen in Nederland twee soorten voor, die echter pas enkele decennia worden onderscheiden, ik ga hier verder niet op in want voor de smaak heeft dit geen betekenis. Zeekraal is een plant van slikken en schorren. De planten groeien in de Waddenzee en de estuaria van de grote rivieren, dat wij in Nederland met een verkeerd woord ‘Delta’ noemen. Zeekraal is een succulente halofyt. Met deze woorden bedoelen botanici dat het plantje een vetplant is en op zilte grond groeit.



Het is de enige echte zout behoevende plant, wat het kweken een extra moeilijkheid geeft. Maar de laatste jaren wordt zeekraal in Nederland op kleine schaal gekweekt, op Texel en in Zeeland, en is geregeld bij de vishandel of bij de luxere groentewinkel te koop. Zeekraal bij de supermarkt komt meestal uit Frankrijk en is minder smakelijk.

Jonge scheuten zeekraal kunnen rauw worden gegeten, oudere planten moeten worden geblancheerd. Je eet zeekraal met je vingers. Oudere planten hebben een harde middennerf, waar je het zachte bladmoes van af zuigt.

Door de zilte smaak past zeekraal niet overal bij, maar het is heerlijk bij vis, vooral platvis. Platvis en zeekraal zijn voor mij een net zo onlosmakelijke combinatie als Stilton met een glaasje rode port.
Mijn kerstdiner bestaat dit jaar uit tong of tarbot (ik vind tarbot nog net iets lekkerder dan tong), zeekraal en wilde rijst. Uiteraard met een koel glas Chablis erbij.

In sommige recepten die ik tegen ben gekomen staat dat je zeekraal eerst 24 uur moet weken in zoet water. Niet doen! Dan haal je juist het overheerlijke zilte er uit. Zoals gezegd, even blancheren in kokend water, desgewenst serveren met een klontje boter. Eenvoudiger kan het niet.

Een tip: ga het niet zelf verzamelen. Niet uit natuurbeschermings- oogpunt, maar uit praktische overwegingen. Aan het begin van ons tweede studiejaar, al weer 40 jaar geleden, was er een excursie naar Texel. Op een gegeven moment had een klein groepje studenten, waaronder ik, op het wad het contact met de excursieleiding verloren. Een vriend van mij, geboren en getogen in Zeeland, zei tegen ons: “Loop maar achter mij aan, ik weet waar het veilig is en waar niet”. Hij had het nog niet uitgesproken of hij zakte in de modder weg, die zich met een slurpend geluid om zijn, niet al te slanke middel sloot.

Met vier man op rij hebben we hem met pijn en moeite uit de modder weten te trekken. Het laatste rukje gaf een ploppend geluid alsof je een fles wijn ontkurkte. Met de excursieleiding was bij een pannekoekenhuis afgesproken. Daar aangekomen werd mijn jaargenoot door de bediening – volledig terecht – de toegang geweigerd. Hij stonk een uur in de wind naar rotte eieren, de typische geur van omgewoeld wad. We hebben hem in de storm en striemende regen onder een afdakje geposteerd en van tijd tot tijd een stuk pannekoek door het raam aangereikt.

Voor de excursie het jaar daarop had hij voor de zekerheid een net pak meegenomen voor bij het eten. Maar die was in Zuid-Limburg, met weinig wad om in weg te zakken.