Boeken algemeen
Promotiecampagne kinderassortiment

Natuurlijk: Casause mangelen

 

Dopvrucht: Eenzadige droge vrucht met vruchtwand los van de zaadhuid. Is de vruchtwand hard en houtig is het een noot of nootje.
Peulvrucht: doosvrucht die openspringt langs buik- en rugnaad met twee kleppen.

Veertig jaar geleden moesten wij tijdens de colleges plantenanatomie en plantensystematiek deze dorre definities van zaadtypen (en nog vele, vele andere) uit ons hoofd kennen voor het tentamen voor de propedeuse, in de wandelgangen: je ‘propjes 1’. Wat waren die termen toch mooi. Nu heet het eerstejaarsexamen.



Enkele weken geleden dronk ik een biertje bij een goede kennis van me, die net als ik verzot op katten is. Eens in de zoveel tijd wisselen we kattennieuwtjes uit. Terwijl we van hapjes zaten te genieten, vroeg ze me opeens in plat Amsterdams: “weet jij wat Casause mangelen zijn?” en verder weer in gewoon Leids: “die moest ik altijd voor mijn moeder kopen op zaterdag”. Het bleek een verbastering te zijn van Curaçaose amandelen. En dát zijn weer, raadt u nooit, (zoute) pinda’s. Ik had er nog nooit van gehoord. Thuis heb ik het direct gegoogled, maar zelfs google gaf geen enkele hit. Ik bezit het een en andere aan plantenboeken en die heb ik er allemaal op nageplozen, want het intrigeerde me enorm. En zowaar, in het onvolprezen prismagidsje dat ik bij vragen op Naturalis ook vaak raadpleeg: ‘Eetbare gewassen’ door J. en L. Veltman vond ik bij pinda zowel ‘Curaçaose amandel’ als ‘mangel’. Het boekje geeft nog meer synoniemen voor pinda’s: apennootje, olienoot, aardnoot, grondnoot en katjang. Tenslotte vond ik in mijn Koenen-Endepols van de middelbare school het woord mangel als synoniem voor amandel, helaas zonder bronvermelding. Persoonlijk denk ik dat Casause mangelen Jiddisch is.

Dit overpeinzende bedacht ik me dat weinig mensen beseffen dat ons populairste en in mijn ogen ook het lekkerste borrelnootje biologisch gezien helemaal geen noot is maar een peulvrucht. Wat!?, de pinda is geen noot maar een erwt of peul? Ja zeker. Bekijk pinda’s en sperzieboontjes maar eens goed. Ze hebben dezelfde bouw. Wanneer je de pindaplant ziet, is het direct duidelijk. Pindaplanten zijn kruipende kruidachtige planten met bladeren en bloemen waarvan in de bouw direct de familie van de vlinderbloemigen te herkennen is. Bekende andere vertegenwoordigers zijn bonen, erwten, klaver en lathyrus.

Oorspronkelijk komt de pinda uit Bolivia, Argentinië, Paraguay en Brazilië en is daar al sinds 900 voor Christus in cultuur. Vanaf de 16e eeuw is de pinda over de gehele wereld verspreid en wordt tegenwoordig vooral gekweekt in India, Malawi, China en de VS.

De pinda is een eenjarig kruid dat hooguit 50 cm hoog wordt. De soort heeft een vreemde biologie. Na de bloei buigt de stengel met het vruchtbeginsel zich naar beneden en wordt door de plant de grond in geboord. Het rijpen van de zaden vindt vervolgens ondergronds plaats, vandaar de namen aardnoot en grondnoot. De toepassingen van pinda’s zijn schier eindeloos. De scheuten kunnen worden gegeten als groente, de zaden kan men onrijp eten (mensen die de Engelse keuken kennen zullen niet verbaasd zijn dat dit daar populair is) of gebrand, geroosterd, gezouten of gezoet. Gemalen pinda’s vormen de basis voor pindakaas en pindasaus; uit geperste pinda’s wint men arachide- of pindaolie. Verder zijn ze een geliefd ingrediënt voor snoep en koekjes, zowel zoute als zoete. Tot slot worden pinda’s gebruikt als vee- en vogelvoer*.

Maar de meest interessante toepassing van de pinda is de volgende: je kunt er als Wim T. Schippers een hele vloer mee volsmeren en dan voor grof geld verkopen van het Museum Boymans-Van Beuningen in Rotterdam. Het is alleen te hopen dat het museum rekening houdt met het feit dat pindakaas snel beschimmelt, vooral met de schimmel Aspergillus flavus. Deze verandert de pindakaas door gifstoffen, aflatoxinen, in een dodelijke massa, aflatoxinen zijn heel sterk carcinogeen, niet alleen bij opeten maar ook door inademen van de sporen.

Daarom tot besluit maar een recept voor pindasaus
 

Pindasaus

Ingrediënten:

  • 1 ui
  • 2 teentjes knoflook
  • 1 eetlepel roerbakolie
  • 1 theelepel suiker (liefst goela djawa)
  • 1 fikse theelepel sambal djeroek
  • 1 pot pindakaas
  • Water
  • Melk

Bereiding:

  • Fruit de fijngesnipperde ui en knoflook in de olie.
  • Als de ui gaar is (geel, net niet bruin) de pindakaas op een laag vuur er door roeren. Verdun met water.
  • Vervolgens suiker en sambal er door roeren.
  • Als het gaat schiften kan je het met melk weer glad roeren.
  • Dit is het basisrecept. Je kunt de smaak wat kruidiger maken met wat ketjap manis, een mespuntje trassi (gefermenteerde garnalen) en een beetje santen (geperste kokos). Als je geen sambal djeroek kunt krijgen dan sambal oelek en een paar blaadjes daon djeroek peroet (blad van een citrusboom).

Tip:

Smeer takken van bomen ’s winters in met pindakaas. Vogels zijn er verzot op.